Witte donderdag

Uit Syrië, uit Egypte, uit Tunesië, uit Libië, uit heel veel landen komen er verhalen en berichten tot ons door van mensen die het zat zijn, die het helemaal hebben gehad met het gebrek aan vrijheid van meningsuiting, vrijheid van denken en spreken.

Massaal gaan mensen de straat op en ze weten, dat ze hun leven op het spel zetten.

Dagelijks sterven er mensen omwille van hun idealen, omwille van vrede en gerechtigheid voor heel het volk.

Ze geven hun leven opdat anderen zullen leven.

Ook wij, hebben die potentie in wezen ook in onze genen.

Ik denk maar even terug aan onze laatste oorlog, waar velen rechtop zijn blijven staan en hun leven liever lieten, dan klapvee te worden van de bezetter.

Geloof me maar dat onze verzetshelden door het stof hebben moeten gaan, vernederingen en martelingen hebben door gemaakt omwille van hun geloof in vrijheid.

Voor mij is Titus Brandsma, een pater uit Nijmegen, een geboren Fries, een zuiver voorbeeld van iemand die liever de vrijheid van zijn overtuiging verkoos boven een meelopersrol in de oorlogse academische wereld.

Het kostte hem z’n leven. Op een verschrikkelijke manier stierf hij in Dachau.

Hij en vele anderen hebben geleden opdat anderen vrij zouden zijn.

Niet de macht maar de liefde heeft uiteindelijk gewonnen.

Op mijn bureau ligt een kiezelsteen van de appélplaats in het concentratiekamp Dachau, om nooit meer te vergeten, dat vrijheid soms iets anders kan zijn dan blijheid.

Toch zie ik, en zeker ook in de kerkelijke hiërarchie weer patronen van macht.

Op witte donderdag klinkt in de kerken horen het verhaal van de voetwassing, waarin de grote Meester, als slaaf door het stof gaat om de voeten van zijn leerlingen te wassen om te laten zien dat je bij het uitdragen van je idealen je nooit mag voorstaan op je positie.

Het lijkt een eenvoudige handeling, wat is er nu moeilijk aan het wassen van voeten, maar toch, het is niet eenvoudig om klein te zijn, om als Jezus te zijn, als Paulus en Petrus te zijn, om als Titus Brandsma te zijn.

Ooit was ik in Jeruzalem, en bracht daar een bezoek aan de zaal waar Jezus, volgens de overlevering, het avondmaal, vanwege Pasen vierde met zijn vrienden in de wetenschap dat zijn gruwelijke dood nabij was.

In de kapel van de geselingen, aan de Via Dolorosa, vlak bij Golgotha mocht ik voorgaan en preken in een viering voor theologiestudenten. Om ons daar te verzoenen met elkaar.

We hebben daar onze hoogmoed op Golgotha achterlaten en leerden – bij wijze van spreken – om de voeten te wassen van hen, waar anderen op neerkijken.

Te zorgen voor wat klein en kwetsbaar is, Hen nabij zijn in alle eenvoud en bescheidenheid.

Toen liep ik de lijdensweg, de beroemde via Dolorosa, in Jeruzalem met mijn reisgenoten, biddend en smekend, dat het lijden om de liefde en de vrijheid voor alle mensen zal ophouden.

Biddend voor alle volken die momenteel de hoge prijs moeten betalen voor hun vrijheid. Ook vandaag weer.

Voor de mensen die door hun regering doodgeschoten en opgesloten worden omdat ze weerloos en kwetsbaar demonstreren voor hun vrijheid en hun idealen.

We waren in Jeruzalem waar volken niet tot elkaar kunnen komen en met de rug naar elkaar toe langs elkaar heen schuiven. Joden, christenen en moslims die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Ik heb een briefje in de Klaagmuur gestoken uit dankbaarheid voor de vrijheid die ik zomaar heb gekregen omdat anderen daarvoor hebben gevochten, en gestreden. Ik mag vrij zijn door de dood en het lijden van anderen.